Groepen
Nieuws
Agenda

Abonneren

Vul je emailadres in om e-mail te ontvangen over nieuwe berichten.

Voeg je bij 540 andere abonnees

facebook

Over de naam van de school

Jan Ligthart, wiens naam aan de school verbonden is, leefde van 1859 tot 1916. Jan Ligthart was een invloedrijk Nederlands pedagoog. Hij leefde in de periode van voortuitgangsdenken. Jan Ligthart was ook dertig jaar hoofd van de school voor onvermogenden in de Tullinghstraat in Den Haag. Jan Ligthart heeft veel pedagogische en onderwijskundige ideeën in de praktijk gebracht die inmiddels gemeengoed zijn geworden.

Ligtharts loopbaan

Samen met de leerkrachten van zijn school in de Schilderswijk ontwierp hij een nieuw leerplan dat in maandelijkse vergaderingen werd besproken. In een voor de school geschreven blad,Onder één dak, werden de besluiten vastgelegd en nader uitgewerkt. Zo’n collegiale werkwijze was in die tijd, eind 19e eeuw, niet gebruikelijk. Ligthart streefde in zijn school een sfeer van vriendschap na. Hij wilde de leerkracht als zelfstandig onderwijzende persoonlijkheid erkennen. Daarom ook hielp hij bij de oprichting van de afdeling ’s Gravenhage van de “Bond van Nederlandse Onderwijzers”. Tegen het einde van de 19e eeuw was hij enige jaren lid van het hoofdbestuur van het Nederlandse Onderwijzers Genootschap (NOG). Maar het besturen lag hem niet. Naast zijn schoolhoofdschap was hij in de avonduren een tijd lang leraar Nederlands aan een Rijksnormaalschool en gaf hij aan andere volwassenen cursussen literatuur totdat hij deze nevenwerkzaamheden om gezondheidsredenen moest staken. Ligthart was betrokken bij de oprichting van het Nederlandsch Lyceum in Den Haag en adviseerde andere vernieuwingsscholen zoals de Haagsche Schoolvereeniging (waar de kinderen van Jan en Marie op school gingen) en de Humanitaire school in Laren.

Ligtharts onderwijsmethoden

Van aanschouwingsonderwijs naar zaakonderwijs

De man die zich tegen het “slaafs volgen” van methodes keerde, kon toch ook niet zonder. Ligthart had op zijn school in de Haagse Schilderswijk kinderen die vrijwel nooit de buurt uit waren geweest en die grotendeels in gezinnen leefden waarin nauwelijks gelezen werd en waar ook geen platenboeken aanwezig waren. Die kinderen hadden dus geen visuele voorstellingen van het leven buiten die grauwe stadsbuurt, en wisten ook niet van de fabricage en productie van levensmiddelen en bouwmaterialen. Alles wat kinderen een eeuw later via de televisie leren zien en begrijpen moest dus op een of andere gebrekkige wijze in de school gebracht worden.

Voor het zogenoemde aanschouwingsonderwijs uit die jaren maakten de Friese onderwijzer Wiebe Kornelis Walstra (1852-1917) en de Drentse onderwijzer Rieks Scheepstra (1859-1913) gebruik van wandplaten. Het waren illustraties van de onderwerpen waarover onderwijs gegeven werd. De illustraties waren deels gemaakt door de Groningse onderwijzer Berend Brugsma (1797-1868). Brugsma had de illustraties gemaakt naar voorbeeld van wat hij in Duitsland had gezien. Walstra en Scheepstra maakten er een handleiding bij: “Aanschouwingsonderwijs in de lagere school”. Bij de heruitgave had de uitgever Ter Horst jr. als mede-auteur laten vermelden: Ligthart, en de naam van Walstra achterwege gelaten.

Ligthart vond dat de leerlingen te passief het vertellen bij de platen ondergingen. Samen met zijn vriend Scheepstra wilde hij hun actieve betrokkenheid versterken door nieuwe platen te laten maken waarin zij zichzelf als deelnemertjes zouden kunnen ervaren aan wat zij “Het Volle Leven” gingen noemen. Een basisprincipe van Ligtharts didactiek was wat hij ‘koncentratie’ noemde (en ook wel als ‘konsentratie’ schreef). Kennis uit verschillende gebieden van het zaakonderwijs, zoals uit de plant- en dierkunde, de natuur- en aardrijkskunde, mochten niet apart en systematisch onderwezen worden, maar moesten concentrisch, en ook nog eens samen met het reken- en taalonderwijs, gericht worden op dingen en processen uit het dagelijks leven die de leerlingen uit eigen ervaring of uit de schoolplaten bekend waren.

Haal bijvoorbeeld een visnet uit de haven in de school en ga dan vertellen van een spannende visvangst op zee, laat de platen daarvan zien, laat de kinderen touwtjes maken van vlas, laat ze de mazen opmeten, haal een vis uit de viswinkel en meet en ontleed die, laat een kaart zien van de Noordzee en van de belangrijkste vissoorten die daar gevangen worden, zing met de klas van de mosselman, laat een schilderij met vissersschepen zien op het Scheveningse strand, laat de kinderen zelf vissen en vissersschepen tekenen, bespreek en laat zien hoe de vis schoongemaakt moet worden, wat daarbij de noodzakelijke hygiënische maatregelen zijn, laat ze de vis wegen en laat ze in de winkel gaan vragen hoeveel een kilo daarvan kost, bespreek de uitvinding van het haring kaken, ga met de klas naar een visafslag en bespreek en vergelijk de opbrengsten voor de visser, de handelaar en de winkelier, et cetera, et cetera. “Spel, arbeid, vertelling – de drie-eenheid der metodiek”.

Haal op die wijze alle mogelijke elementen uit natuur, techniek, landbouw, veeteelt, ja ook kunst, naar het klaslokaal of de schooltuin en leer de leerlingen woorden, zinnen, liedjes, rekenen en begrijpen aan de hand van die direct waargenomen en zelf gehanteerde elementen. Dit is wat hij bedoelde met het onderwijs doen samenvallen met “Het volle leven”.

Wat Ligthart nastreefde is nu te zien als een voorloper van het tegenwoordige projectonderwijs. En net als nu vereiste dat projectonderwijs van de leerkrachten grote inspanning en kwam er kritiek dat het leerlingen te weinig systematische kennis bijbrengt. Mogelijk verlangde Ligthart van de leerkrachten een te grote inzet en creativiteit. Dit kan de belangrijkste reden zijn waarom zijn stelsel van didactische aanwijzingen in de decennia na zijn dood nauwelijks navolging heeft gekregen.

Ligthart wilde het onderwijs meer doen aansluiten bij het gezinsleven en de dagelijkse arbeid in de maatschappij. Tevens wilde hij de kinderen door handenarbeid vertrouwd maken met de basistechnieken van de timmerman, boer, scheepsbouwer en handarbeider. Zijn methode van zaakonderwijs introduceerde allerlei activiteiten voor in de klas of de schooltuin, zoals het zelf bakken van steentjes en het daarmee metselen van muurtjes, of het dorsen van graan. Ligthart wilde ook een ‘bewegende klas’ met veel zelfwerkzaamheid van de leerlingen en veel onderlinge hulp. ‘Leren door te doen’ was zijn devies.

Leesplankje en leesboekjes

In 1897 had het Deventer schoolhoofd M.B. Hoogeveen een ‘leesplankje’ ontworpen met daarop een aantal ‘normaalwoorden’ zoals raam, roos, neef, enzovoorts, en de daarbij getekende plaatjes. Ieder kind kreeg een leesplankje voor zich en een doosje met losse letters. In 1905 vroeg de directeur E.B. ter Horst Jr van uitgeverij Wolters aan zijn schrijversduo Ligthart en Scheepstra dat plankje aan te passen. Het ‘verbeterde plankje van Hoogeveen’ werd nu voorzien van illustraties die waren ontleend aan de verhalen over “Ot en Sien” in de reeks Nog bij moeder: aap, noot, mies, wim, zus, jet, enzovoorts. De illustraties werden gemaakt door Cornelis Jetses (1873-1955). Hiermee werd aan generaties Nederlandse kinderen leesonderricht gegeven: Niet alleen kinderen in Nederland leerden hiermee lezen, maar ook die in Suriname, Zuid-Afrika en het voormalige Nederlands-Indië.

Veelal samen met de genoemde Rieks Scheepstra schreef Ligthart tal van boekjes voor het leesonderwijs, die, anders dan zijn methode voor het zaakonderwijs, tot vele jaren na zijn dood heel algemeen in het lager onderwijs gebruikt bleven. Hoeveel Scheepstra aan de teksten schreef en hoeveel Ligthart daaraan bijdroeg is altijd onbekend gebleven. Maar het is hoogstwaarschijnlijk dat de bijdragen van Ligthart aan die teksten groot geweest is.

Het gezinsleven zoals beschreven en geïllustreerd in die leesboekjes was niet gesitueerd in de stadsbuurten waaruit Ligtharts eigen leerlingen kwamen, maar op het platteland. de achtergrond van zijn collega’s Scheepstra en Walstra. Deze keuze hield stellig verband met Ligtharts eigen grote liefde voor de natuur. Maar sommigen, meest uit socialistische kring hebben hem deze “romantisering” van het dagelijks leven later ook wel verweten.

Ligtharts pedagogische ideeën

Ligthart beschouwde de opvoeding als een kunst uit liefde voor het kind. Opvoeden is geen toepassen van een wetenschappelijke opvoedkunde maar handelen uit begrip van en meegevoel met het kind. Hij propageerde wat hij een ‘hartepedagogiek’ noemde waarbij de persoonlijkheid van de leerkracht/opvoeder doorslaggevend is voor diens welslagen. Hij (of zij) moest uitgaan van zijn “pedagogisch instinct dat ieder mens is aangeboren” en niet van pedagogische geleerdheid. Van de wetenschap der pedagogiek, of pedologie (kinderkunde), zoals deze toen ook wel genoemd werd, verwachtte hij weinig praktisch nut. Hij stak er herhaaldelijk de draak mee in zijn artikelen voor onderwijsbladen. Hij was bang dat het individuele en eigenaardige van ieder afzonderlijk kind uit het oog zou worden verloren als voor kinderen naar algemene wetmatigheden werd gezocht. De verstandelijke benadering van het kind moest wel ten koste gaan van de gevoelsmatige. Daarom wilde hij ook niet dat de onderwijzer een systeem of methode volgde, maar zijn intuïtie. Geen vormelijkheid maar waarachtigheid was zijn devies.

Eind 19e eeuw bewaarden schoolmeesters en schooljuffrouwen de orde in hun klassen nog met harde hand en het straffen van kinderen was daarbij hun belangrijkste instrument. Ligthart erkende dat je bij veel van de leerlingen “tegen een muur van onwil moest opwerken”. Maar “dat moet je doen zonder slaan, zonder hardheid, zonder strenge, onverbiddelijke straf. Je moet een sterk verschanste vesting innemen, zonder zwaar geschut, en enkel met de lichte toverroede van je persoonlijkheid.” De kinderwil moest van binnenuit gemotiveerd worden. De onderwijzer mocht niet op zijn strepen gaan staan maar moest zich solidair tonen met het kind. Hij (of zij) moest inzien dat hij eigenlijk in niets verschilde van zijn leerlingen, alleen iets rijper was. Daarmee kon een ‘electries contact’ tussen kind en onderwijzer ontstaan, een contact van ‘hart tot hart’, van persoon tot persoon.

De hoofdgedachten van Ligtharts pedagogisch denken samengevat:

  • De opvoedkunde eist dat de opvoeder zichzelf opvoedt. De opvoeding van kinderen moet bij de volwassenen beginnen die van hun fouten moeten leren.
  • Laat het kind vrij. Niet: laat het doen wat het wil, maar geef het kind binnen door de opvoeder georganiseerde kaders gelegenheid tot lichamelijke activiteit, tot spel, tot zelfstandig onderzoek, tot het stellen van vragen, tot beproeven of het iets kan. Laat het op eigen wijze een taak vervullen.
  • Maar dit alles binnen door de gemeenschap opgestelde regels waar het kind en de opvoeders zich aan moeten houden. Er moet gezag en orde zijn. Precieze regels en stipte handhaving daarvan.
  • Ieder kind, iedere leerling is een individu met eigen geaardheid en behoeften. Binnen gehoorzaamheid aan algemene regels moet ieder zichzelf kunnen zijn.
  • Aan de opvoeder gericht: Heb lief en geef u!

IKC Jan Ligthart

jan-ligthart-school-vlaardingen_kaartje Plein Emaus 6
(tijdelijk gesloten i.v.m. verbouwing)
3135 JN Vlaardingen
Tel: 010 - 434 70 07

Seringenstraat 5 (tijdelijk)
3135 ER Vlaardingen
(groepen 1/2)

Van Hogendorplaan 1021
3135 BK Vlaardingen
Tel.: 010 - 234 24 27
(groepen 3 t/m 8)

E-mail Mireille van Duuren
← Naar de Contactpagina